Cartagena, bijna Amerikaans grondgebied

Tussen 11 februari 1873 en 29 december 1874 was er in Spanje sprake van een republiek, de 'Primera República Española' genaamd. In 1868 was koningin Isabella II afgezet en gevlucht, waarna een opstand ontstond onder leiding van generaals Serrano en Prim. Twee jaar later werd de troon aangeboden aan de zoon van Victor Emanuel II van Italië, Amadeus. Die kreeg te maken met allerlei opstanden en een bevrijdingsoorlog op Cuba, waardoor hij er op 11 juni 1873 de brui aan gaf en Spanje als 'onregeerbaar' verklaarde.

Op diezelfde dag werd door de tien dagen eerder geïnaugureerde Cortes (Hofraad) unaniem een federale republiek uitgeroepen, met als president Francisco Pi i Margall (1824-1901). Die vroeg en kreeg vervolgens verregaande bevoegdheden om de Carlistische opstanden te bestrijden. De federalisten vreesden echter dat deze bevoegdheden het geheel nieuwe staatsbestel zou schaden, dat hen voor ogen stond: dat van geheel autonome staten, of kantons, verenigd in een federale republiek. Dit had de zg. petroleumrevolutie in Alcoy ten gevolge, het begin van de zg. Kantonnale opstand.

Tegenstellingen
Deze ontwikkeling vond plaats op het moment dat Pi i Margall al een aantal belangrijke hervormingen voorbereidde, zoals de regulatie van kinderarbeid, afschaffing van de slavernij op Cuba en een reorganisatie van het leger. Desondanks zag hij zich vanwege de interne tegenstellingen binnen het kabinet en de opstanden in het land genoodzaakt af te treden. Op 18 juli werd hij vervangen door Nicolás Salmerón (1938-1908). Die zou een veel conservatievere koers gaan varen dat zich juist uitte in het streven naar een eenheidsstaat.

Op 12 juli had de havenstad Cartagena (Murcia), waar het volk opriep tot sociale hervormingen, zich als eerste tot zelfstandig kanton uitgeroepen. Dat werd gevolgd door o.a. Valencia, Cádiz, Sevilla, Salamanca en Málaga. De regering Salmerón zette daar echter een beleid van harde repressie tegenover, waardoor het eind juli al weer was afgelopen met de meeste kantons. Málaga viel als éénnalaatste op 19 september.

Amerikaanse hulp
Cartagena hield het het langst vol. Daar hadden vijf fregatten, twee stoomschepen en een corvette, behorende tot de Spaanse vloot en die op dat moment in de haven lagen, zich bij de opstand aangesloten. Na eerste vruchteloze pogingen van regeringstroepen om de orde te herstellen werden enkele omringende dorpen in het kanton opgenomen. De vloot voer ondertussen langs de kust en legde de bevolking revolutionaire belastingen op. Ook werd er een eigen munt geslagen en een nieuwe krant opgericht, de 'Cantón Murciano'. Het kanton had daarnaast een eigen, geheel rode vlag.

Het kon niet uitblijven dat nadat de andere kantons waren gevallen de stad onder steeds heviger vuur kwam te liggen. De oorlogsdruk werd zelfs zo verstikkend dat er in alle wanhoop contacten werden gelegd met de regering van de Verenigde Staten met het verzoek om hulp tegen de centrale regering in Madrid. Zelfs de mogelijkheid om eventueel toe te treden tot de Amerikaanse federatie werd gesuggereerd.

De toenmalige president Ulysses Simpson Grant (1822-1885) toonde zich ertoe bereid om deze voorstellen te bestuderen, maar daar bleek geen tijd genoeg voor te zijn. Na zes maanden belegering en vanag eind november 1873 een intens bombardement die meer dan de helft van de stad vernietigde, zou op 12 januari 1874 ook Cartagena zich uiteindelijk gedwongen zien om zich over te geven.

Terugkeer van de monarchie
Ook de republiek zou geen lang leven beschoren zijn. Drieëntwintig maanden nadat deze was uitgeroepen werd de monarchie alweer hersteld door brigadegeneraal Arsenio Martínez Campos, die zijn steun uitgesprak aan de zoon van Isabella II. Daarna viel de regering uiteen en werd deze gekroond tot koning Alfons XII.

Afbeeldingen: Archieffoto van de fregat 'Numancia', die deel uitmaakte van de Kantonnale vloot; Francisco Pi i Margall; gravure uit 1870 van de haven van Cartagena; Ulysses Simpson Grant; Alfons XII